Theaterschoolfestival
19 - 24 juni Amsterdam

Taal en beeld in een nieuw daglicht


Een reflectie van Merith Smals

Taal en beeld. Theatermakers Juicy IJsselmuiden (Woordkunst – Antwerpen) en Menzo Kircz (KASK – Gent) zijn beiden op geheel eigen wijze aan de slag gegaan met taal als materiaal en de beelden die woorden en taal in zich dragen. Zij zetten taal en beeld in een nieuw daglicht. De wijze waarop zij dit doen, zal ik aan de hand van hun voorstellingen toelichten.

IJsselmuiden en Bornkamp denken in de voorstelling + over elk woord na, proberen uit te drukken hoe ze het woord begrijpen en welke beelden zij allebei toekennen aan de woorden. Op die manier is de dialoog een ontleding van de woorden en de taal, en een ontleden van de individuele beelden die de taal oproept. Bijvoorbeeld in een scène waarin ze het woord streep bediscussiëren maakt IJsselmuiden het geluid dat zij associeert met het woord ‘streep’. Bornkamp associeert bij dit geluid eerder het woord ‘zwiep’. De conversatie gaat verder en ook de woorden ‘tafel’ en ‘wiebel’ worden helemaal ontleed met behulp van de verbeelding die de woorden oproepen. IJsselmuiden en Bornkamp proberen elkaar te begrijpen. Het hoogtepunt in de verbeelding van taal is het moment dat een en twee bij elkaar worden opgeteld: voor Bornkamp geldt “een + twee = twee”, voor IJsselmuiden geldt “een + twee = drie”. Uiteindelijk lijken ze het midden te vinden met “een + twee = +”.

+ is een spannende zoektocht naar het delen van jezelf met de ander in een poging tot betekenen en verbinden; maar dat wat je voelt en bedoelt kun je nooit precies overdragen met taal omdat de ontvanger van de woorden zich op een eigen manier verbind aan de woorden. Dit spreekt ook uit het volgende fragment waarin een van hen 1 representeert en de ander 2:

1. “Wij kunnen echt samen peinzen

2. Ja samen

1. Echt tot je kop barst

2.Ik heb dat nu

1. Ik ook

2. Wil je kauwgom?

1. Ja jij?

2. Ik gedraag me wel zo

1. True

2. Troef?

1. True

2. Oh, true

1. Wat?

2. Jij zei een woord, en ik dacht toen aan

1. Andere dingen

2. Aan toep

1. Troep? Hoe bedoel je?”

De dialoogvorm die IJsselmuiden en Bornkamp hanteren is inherent aan de inhoud, omdat in de dialoog de communicatie tussen twee mensen en het delen van jezelf met de ander centraal staat. In een dialoog poogt de een de ander te verstaan en te begrijpen en andersom. In + onderzoeken de makers elkaars woorden op de betekenis ervan.

+ zoekt de menselijkheid in de taal en vorm op, probeert zo dicht mogelijk te komen bij dat wat de mens verstaat onder een woord door zich in het hier-en-nu aan elk uitgesproken woord te verbinden. De met zorg gekozen woorden werken in + het sterkst wanneer ik als toeschouwer de woorden kan verbeelden en me op die manier tot de taal kan verhouden; dan ervaart de toeschouwer wat de conversatie over de woorden inhoudt en hoe moeilijk het is om precies samen te komen in een woordelijk gesprek.

IJsselmuiden en Bornkamp vertelde dat ze nog volop bezig zijn met het vormonderzoek; hoe taal en ruimte zich tot elkaar verhouden in +. Mijn inziens zijn IJsselmuiden en Bornkamp al heel ver in het vormonderzoek: de vorm van de taal en tekst is namelijk al sterk en is het materiaal dat de inhoud communiceert. Doordat de personagefiguren uitsluitend en letterlijk bestaan uit taal, verbeeldt de

tekst niet twee personages waar het publiek naar kijkt, maar datgeen wat in de tekst aan bod komt: een en twee bijvoorbeeld. De taal heeft acteurs nodig om uitgesproken te worden, om bevraagd te worden, en om te kunnen verbinden met de woordbeelden die taal teweeg brengt. Op de momenten dat IJsselmuiden en Bornkamp dit bereiken, overstijgt de taal zijn functie als louter en alleen betekenisdrager en wordt het poëtisch doordat de taal zich manifesteert als zintuiglijke communicatie. Wanneer woordbeelden worden opgeroepen bij de toeschouwer, kan de toeschouwer zich verbinden aan de taal en het mechanisme van communicatie dat in + wordt blootgelegd. Het is volgens mij interessant om de vorm in de tekst nog verder op te schonen.

De vraag over de vorm van enscenering waar ze mee bezig zijn is een interessante, maar ook daarin zijn IJsselmuiden en Bornkamp volgens mij al heel ver. De tekst zelf is het materiaal dat spreekt en heeft niet veel entourage nodig; juist het simpel houden, zoals ze doen, lijkt de kunst. Ik begrijp dat de vraag wat die simpelheid precies behelst, een zoektocht is. Ik kijk er zeker naar uit hoe ze deze enscenering in een volgende versie aanpakken waardoor de taal en tekst nog sterker naar voren kunnen komen.

Ook Menzo Kircz zet met zijn voorstelling Onduidelijke correspondenties taal en beeld in een nieuw daglicht. In Menzo’s onderzoek staat vooral het teruggaan naar de verbeelding centraal waarbij hij graag uit de conventies van de blackbox stapt; hij wil uit de theaterruimte waar de verbeelding altijd een feestje viert en haast vanzelfsprekend aanwezig is. Kircz wil terug naar de verbeelding in een meer dagelijkse omgeving. Op het ITS speelt hij zijn voorstelling daarom aan een ronde tafel in café de Richel naast theaterzaal Frascati 4. Aan de bar drinken mensen rustig een biertje, de cafémuziek staat zachtjes aan en mensen lopen, zoals altijd in een café, in en uit. Samen met 7 andere toeschouwers en Kircz zit ik aan tafel. Kircz legt uit dat hij voor ons een versie van zijn voorstelling Onduidelijke correspondenties gaat spelen. Hoe de versie vormgegeven wordt hangt af van het verloop.

Kircz haalt een soort tekendoos zit waarin alle rekwisieten van de voorstelling zitten. Uit de doos haalt hij snoepjes, papiertjes, steentjes, bierdopjes, propjes, lucifers et cetera tevoorschijn. Hij ensceneert uiterst zorgvuldig een voor een de spulletjes op tafel en plaatst ze in verhouding tot elkaar. Wanneer het landschap klaar lijkt te zijn, veegt Kircz het weg en bouwt hij een nieuw landschap op de tafel. De toeschouwers mogen meedoen met het bouwen van de landschappen, waardoor ze samen met Kircz bouwen aan een gezamenlijke verbeelding en aan een gezamenlijke ruimte. Met deze hands- on-approach wordt de voorstelling opgebouwd en zoekt Kircz samen met het publiek naar waar ieders verbeelding zo dicht mogelijk bij elkaar komt tot een gezamenlijke verbeelding.

Onduidelijke correspondenties zou gezien kunnen worden als het zoeken naar een taal; de taal van de verbeelding in het hier-en-nu in de publieke ruimte. De taal van de verbeelding is niet alleen praktisch een communicatiemiddel en dient niet louter en alleen als betekenisdrager, maar kan beklijven en meegenomen worden na de voorstelling en bestaat langer dan alleen tijdens de voorstelling. De spannendste momenten van de voorstelling die deze potentie hebben, zijn de momenten dat de taal van de verbeelding in het hier-en-nu is. Op die momenten ben ik me als toeschouwer niet meer bewust van de omgeving café waarin ik me bevind, omdat ik me bevind in een gezamenlijke ruimte waarin ik de kracht van de verbeelding ervaar door dat wat er op tafel aan landschappen wordt geënsceneerd.

Op momenten dat ik het als toeschouwer moeilijk vond om me te verbinden aan dat wat er zich op tafel afspeelde en mijn verbeeldingskracht nauwelijks werd geactiveerd, verlangde ik naar de theaterzaal. Dit verlangen vond ik tegelijkertijd goed, omdat ik daardoor bewust werd van het feit dat de taal van de verbeelding zo inherent verbonden is aan de theaterzaal en vaak schittert in afwezigheid

in het dagelijkse leven en de openbare ruimte. Onduidelijke correspondenties laat de toeschouwer het belang van verbeelding ervaren, juist ook buiten de theaterzaal, en raakt aan het feit hoe makkelijk we aan de verbeelding voorbij gaan.

+ en Onduidelijke correspondenties zijn beiden gestart vanuit een poging tot het maken van een voorstelling alternatieve vormen van communicatie. IJsselmuiden en Bornkamp wilde in eerste instantie van de taal af, omdat woorden nooit toereikend genoeg zijn. Maar juist omdat ze zo graag van de taal af wilden en het juist over de ontoereikendheid van taal en woorden wilde hebben, konden ze niet van de taal afkomen; in de woorden zelf bevindt zich het conflict en daarom is taal het hoofdmateriaal van + bij uitstek. Naast de materie van de taal heeft + een subject nodig waarop de taal geprojecteerd kan worden en zodoende tot de verbeelding kan spreken. In deze versie van + op het ITS werden IJsselmuiden en Bornkamp het subject, zittend aan een tafeltje waar het publiek dichtbij zat. De taal en de woordbeelden worden levend doordat de taal wordt uitgesproken en de toeschouwer het kan projecteren op twee mensen in dialoog.

Kircz heeft in Onduidelijke correspondenties een bijna volledige woordeloze taal onderzocht. Hij heeft hierbij als uitgangspunt genomen dat de voorstelling en de daarbij behorende verbeelding op zichzelf als taal beschouwd kunnen worden. Daarbij beschouwd Kircz het kijken als een soort van luisteren, waardoor de gedachte opkomt dat je taal ook kunt kijken. Door dit startpunt van zijn onderzoek, vond de materie juist plaats buiten woorden. De taal zit verscholen in de kleine objecten die ten opzichte van elkaar worden geënsceneerd; door de diverse ensceneringen zeggen de kleine objecten telkens weer iets anders in relatie tot elkaar. De enscenering spreekt op momenten tot de verbeelding en tegelijkertijd wordt de verbeelding geprojecteerd op de enscenering. Op die manier werpt ook Kircz zich op een bepaalde manier aan het mechanisme van taal, en neemt daarbij de taal van de verbeelding als doel om te creëren.