Het doodgaan zoals het te verwachten en te voorzien was


Over Het sterven van Kim Karssen en Benjamin Abel Meirhaeghe

Door Matthijs van Maltha, student Dramaturgie aan de Universiteit van Amsterdam

Duisternis. Een knal. Met wat fantasie is te verbeelden dat het een klap was. Met nog meer fantasie was het een schot. In het opkomende toneellicht blijkt het een slag op een bekken geweest te zijn. Een gestalte, verscholen in een geel vest, neemt het bekken met standaard en al in de armen. Behoedzaam wordt het voorwerp naar de achterkant van het toneel gedragen, om daar met zorg op de vloer gelegd te worden. Ondanks de absurditeit van het object is het duidelijk dat hier iets ten grave wordt gedragen. Als laatste handeling, na het bekken neergelegd te hebben, klapt de gestalte beheerst het pootje ervan in. Zelfs daarbij blijft het moment nog iets ritueels in zich houden. Het is de abstracte, haast schematische versie van een stervensproces. Tegelijkertijd is het het begin van een voorstelling die in zichzelf al is opgebouwd rondom een abstract en schematisch stervensproces.

Op de gele gestalte na is het toneel haast leeg. De witte balletvloer die in de ruimte ligt, geeft het toneelbeeld een steriele, wat klinische uitstraling. De dood die zich hier zal voltrekken heeft weinig bloederigs of gruwelijks in zich. Het sterven zal er uitsluitend in woorden en gedachten ontleed worden. De gele gestalte begint drie met schilderijen bedrukte canvasdoeken in neer te laten. Vooraan een zwart-witafbeelding van een wild-romantisch berglandschap, daarachter een wat beangstigend portret van een jong meisje met een dood vogeltje en als laatste een psychedelische pastelkleurenverzameling met vormen die vagelijk aan een oneindigheidssymbool doen denken. De bescheiden grootte van de canvasdoeken is het enige dat verhindert ze als werkelijke achterdoeken te beschouwen. Maar de verwijzing is duidelijk. Ze scheppen een houvast, met het besef dat de achtergrond er een is die we kennen uit het theater komt ook het besef dat wat er op de voorgrond gebeurt evengoed iets is wat we kennen uit het theater.

De in het gele vest, onder een capuchon verscholen gestalte is Kim Karssen. Pas na het neerlaten van de canvasdoeken krijgen we meer te zien dan haar rug alleen. Het gezicht onder de capuchon blijkt rood te zijn. Vuurrood. Bloederig is het niet, eerder absurd. Na het neerlaten van de doeken stort ze ter aarde. Tegen de achtergrond van het zwart-witte berglandschap strekt ze zich uit. Haar linkerarm in de lucht geheven, alsof dat het resultaat van een laatste krachtsinspanning is. Waar we naar kijken is duidelijk. Het kan ook niet anders, in een voorstelling die Het Sterven heet. Ze begint te praten. Laatste woorden. Het blijken er genoeg te zijn om nog een voorstelling te kunnen vullen. Tekst van Nietzsche nog, aanvankelijk. Maar de woorden van Zarathustra verschuiven naar zelfgeschreven tekst, de toch niets aan pompeusheid verliest. Over zichzelf, over de wereld en wat daartussen valt. Over stervende zwanen, mensen en meer. Dit is een grootse dood. Zoveel is zeker.

Halverwege onderbreekt Karssen haar sterfmonoloog. Ze verdwijnt achter een scherm links op het toneel, en duisternis zet in. Schubert klinkt. Achter het scherm ontstaat een schimmenspel bij Goethes Der Erlkönig. Door het publiek lijkt zich iets van een lach te verspreiden. Het moment waarop de sterfmonoloog onderbroken wordt, lijkt samen te vallen met de gedachte dat er vanaf dan weer gelachen kan worden. Maar het lachen verstomt weer. Het besef dat we de schimmen van de vader met de zoon op het paard ook al kenden als een stervensverhaal dringt door. Een onderbreking is dit niet, het is evengoed een verhaal over doodgaan zoals dat bij ons bekend is. Ook dit is een stervensproces waarvan we de zwijgende toeschouwers zijn.

Na het schimmenspel keert Karssen moeiteloos terug in haar eigen sterfpositie. Nog altijd zijn de laatste woorden niet voorbij. De pompeusheid van de taal begint zijn tol te eisen. De noodzaak van de woorden begint strijdig te raken met het gevoel dat we alles nu wel gehoord hebben. Het is de tragiek van de stervende: aangehoord worden door mensen die in de rest van hun leven nog zoveel aan zullen horen. Tegelijkertijd de tragiek van de sterfscène op het toneel: we hebben hem al zo vaak gezien. De wreedheid van het sterven is in de zich alsmaar uitstrekkende laatste woorden van Karssen repetitief geworden. En in die herhaling begint uiteindelijk de vermoeidheid in te treden.

Het Sterven is een voorstelling die aanvoelt als een tableau vivant, als een stilgevallen tafereel dat toch bewijst nog leven in zich te hebben. Het is de poging een moment te vangen, waarbij de laatste adem van de stervende als enige nog stoort in de grootsheid ervan. Een tafereel dat aanvankelijk nog kil aandoet, als een politiereconstructie die wel alle essentiële elementen van de moord bevat maar op zichzelf toch een vervreemdend geheel blijft. Daarin is het een ontleding van het sterven zoals we dat kennen, juist door terug te grijpen op de veelheid van sterfscènes die we al kennen. Maar de voorstelling is meer dan een ontleding van zijn bronmateriaal. Achter de laatste adem van de stervende schuilt een oprechte poging op zoek te gaan naar laatste woorden. Het is in die zoektocht dat Het Sterven meer is dan een theatraal experiment alleen. Het is een voorstelling die evengoed laat zien welke waarde er nog wel kan schuilen in een overbekende situatie. Een poging tot oprechtheid in een moment wat al zo vaak gezien is dat we dachten er weinig oprechts meer van te kunnen vinden. En een poging op zoek te gaan naar wat er nog te zeggen valt, op weg naar het einde.

De daadwerkelijke dood volgt pas tegen het einde van de voorstelling. Een spectaculaire dood valt het niet te noemen, en het lijkt eerder een administratieve handeling dan de bekroning van een grootse tragedie te zijn. Karssen ligt midden op het toneel, alleen nog beschenen door een felrode spot. Haar geheven arm is gedaald, haar bijeengeraapte stem is verstomd. Het stervensproces is vervolmaakt. Maar het is niet dat sterven waarmee de voorstelling eindigt. Het lijk verdwijnt, de rode spot gaat weer uit. In het halfduister beweegt Karssen zich naar achter, en begint ze de canvasdoeken weer op te hijsen. Niet snel, niet direct. Sommige doeken zakken, andere dalen. Gechoreografeerd, uitbundig bijna. Tegen een achtergrond van klassieke muziek voelt het als iets tussen dodendans en visueel schouwspel in. Theatrale magie na leven en dood. In het halfduister verdwijnt het decor. Geen tekenen van leven meer, en toch ook geen herinnering aan de dood. Alleen nog het besef dat het, zoals zo vaak, theater is geweest.

Foto’s: Het Sterven, Benjamin Abel Meirhaeghe

Event Timeslots