Theaterschoolfestival
19 - 24 juni Amsterdam

BESPREKING HET PARFUM, MIJN LEVEN ONDER WATER, LYPEMANIA EN WEERWOLVEN


Het ITS Festival zit erop, maar jullie hebben nog een paar besprekingen van voorstellingen van ons tegoed. Deze laatste verslagen zijn van Job Sijtsma en Eva van Bosheide.

Het Parfum – Een Sereen Spektakel

door Job Sijtsma

Das Parfum van Patrick Süskind is door Tabita Friis Kristensen bewerkt voor de regieopleiding van de ATD. Een verhaal dat plaatsvindt in Frankrijk, begint én eindigt in Parijs, met als hoofdpersoon een man met de fijnste neus ter wereld, Jean-Baptiste Grenouille. Het stuk opent met een vrouwelijke verteller met rood haar, één van de meisjes die Grenouille zal vermoorden. Zij bouwt de sfeer van Parijs met woorden en wordt prachtig ondersteunt door acteurs die, half verstopt achter hangende doeken, een soundscape van geluid laten klinken. Een goede combinatie van vertellen, laten zien en laten horen.

Het verhaal volgt Grenouille’s leven in minder detail dan het origineel, terwijl zijn personage zelf pas aan het einde zijn mond open trekt. Zijn neus steekt de hele tijd een beetje in de lucht, alsof hij niet anders kan dan ruiken. Al is de keuze gemaakt om stukken uit het verhaal over te slaan, de voorstelling is niet gehaast maar is juist overheersend langzaam, wat mij beide een gevoel van spanning en rust brengt. Wanneer Grenouille nog vijf vrouwen vermoord op deze serene manier, in een soort langzame dans, begin ik zelf wel naar een ontploffing te verlangen.

Dit gevoel wordt ook geholpen door het decor, wat beetje bij beetje tijdens scenes volledig wordt onthuld totdat een structuur met meerdere levels zichtbaar is. De acteurs bewegen hier geweldig overheen en visueel is het een geweldig spektakel, waarbij licht, decor, geluid en spel samenkomen tot één geheel. Kort voor het einde zakt een hangend deel van de scenografie naar beneden wat dan, in combinatie met epische muziek, voor de climax zorgt. Het is alsof alle geuren die je zou kunnen ruiken worden vertaald in andere talen, in licht en kleuren bijvoorbeeld. Hierdoor voelde Het Parfum als een complete voorstelling en waren mijn zintuigen aan het einde goed verzadigd.

Mijn Leven Onder Water – Serieus Spelen

De tweede voorstelling van vandaag vindt plaats in Frascati 4, en staat op het programma als Mijn Leven Onder Water (10+). Een voorstelling geschikt voor personen van tien jaar en ouder, iets wat ik nog niet heb gezien op deze editie van het ITS festival. Op het podium staat een bankje, er ligt een klos rood touw naast en links daarvan staat een badhokje. In dit badhokje staan mensen. Vijf, als ik de voeten goed heb geteld. Het lijken jonge kinderen te zijn die opeengepakt in het hokje staan te wachten op het begin.

Één voor één komen ze naar buiten, vijf jonge meisjes; ze nemen plaats in het midden van het podium, staan naast elkaar en kijken naar boven. Een jonge meisjesstem klinkt, die vertelt dat als je in het water kijkt, zij terugkijkt. Dit magische begin leidt het publiek naar een voorstelling vol radslagen, gegil, tikkertje en herkenbare momenten van kind-zijn en opgroeien. Elke scene heeft een zeer duidelijk onderwerp, zodat het ook begrijpelijk is voor het jongere publiek. De jonge acteurs rijgen alles aan elkaar door letterlijk te spelen: na elk emotioneel moment volgt een energie-explosie die bij mij voor ontspanning en nostalgie zorgde, al ben ik nog maar 21 jaar jong.

Het luchtige en speelse in deze voorstelling is leuk en in het algemeen ben ik een grote voorstander van ‘playfulness’ in theater, maar dan wordt het vaak moeilijk om ook een serieuze laag toe te voegen. Omdat we naar kinderen kijken is het makkelijker om het contrast tussen serieus en speels te accepteren en dit contrast voegt iets voelbaars interessants toe. Ik vraag me dus af hoe we dit speelse beter kunnen accepteren bij volwassenen, in theater én in het dagelijks leven.

LYPEMANIA

Ik loop de Grote Zaal van de Brakke Grond binnen en zie vier performers op de witte vloer staan. Ik ben nu alweer vergeten of ze al aan het bewegen waren, omdat ik meteen word afgeleid: iemand zegt dat je gewoon op het podium mag rondlopen en twee mensen uit het publiek doen dat meteen. Verder zit iedereen waar we traditioneel horen en de twee rebellen gaan daarom ook maar zitten.

Terwijl ik me afvraag of het de bedoeling was om rond te lopen, is LYPEMANIA in volle gang: al is ‘volle gang’ misschien een overstatement omdat alle performers uiterst langzaam bewegen. Als een van de acteurs fluit, beweegt iedereen, en als ze stopt met fluiten, stoppen de lichamen ook. Ze lijken allemaal een doel te hebben om van een plek naar een andere te komen, maar in de traagheid is er zoveel ruimte voor het publiek om te reflecteren dat alles als een soort vloeibare stof in elkaar loopt.

In de ITS Aftertalk werd dan ook opgemerkt door Anthony van Gog, de maker van dit stuk, dat het veel van het publiek vraagt. Tijdens de voorstelling doe ik mijn best om in een soort trance komen en gevoelens van frustratie en curiositeit komen naar boven. Ik wil een afstandsbediening pakken en alles doorspoelen, maar tegelijkertijd wil ik inzoomen, alle details bekijken en ontrafelen. Hierdoor merk ik ook symboliek op in de bewegingen. Soms liggen er performers slap op de grond, alsof ze dronken of dood zijn. Één van de performers vouwt zijn handen voor zijn gezicht en loopt voorover gebogen door. Verdriet? Rouw? Schaamte? De surrealistische ervaring die door LYPEMANIA wordt opgeroepen geeft mij een uniek gevoel dat niet helemaal uit te leggen is. Met dit gevoel verlaat ik deze laatste voorstelling van de dag en zal ik nog een tijdje hierover nadenken.

Weerwolven – In Plaats Van Verkering

door Eva van Bosheide

De kleinkunst is dood, lang leve de kleinkunst. Dat kan beschouwd worden als lijfspreuk van deze voorstelling van het muziektheatercollectief In Plaats Van Verkering. Muziek en ritmische tekst wisselen elkaar af, terwijl ondertussen de kleinkunst het eerste slachtoffer wordt van de wolf. Want zoals de naam al aangeeft, haalt Weerwolven in vorm en inhoud veel inspiratie uit het populaire rollenspel. Het publiek zit in een grote kring rondom de muziekinstrumenten van het collectief. Onder iedere stoel ligt een kaartje met daarin een verborgen rol. Geen wolf, burger of Cupido maar een heel scala aan absurditeit, van Mark Rutte tot het studentencorps. Het is voor het publiek zowel een opluchting als een teleurstelling wanneer al snel duidelijk wordt dat er niet daadwerkelijk een interactief potje weerwolven gespeeld gaat worden. De spelers behouden de controle over wie er mee mag spelen en wie er door de wolf gegrepen wordt. Zo is het dus dat de toeschouwer met het kaartje ‘kleinkunst’ op de eerste ochtend wordt ingelicht dat zij is gestorven. De ‘dood’ van kleinkunst wordt diep betreurd door de spelers, maar is tegelijkertijd toepasselijk voor een voorstelling die opent met een satirisch manifest van het collectief. Daarin verklaren zij zichzelf als nog nieuwer, anders en beter dan al het bestaande aanbod, al bedanken zij hun collega’s vriendelijk voor de poging.

In tegenstelling tot het spel waar het op is geïnspireerd, laat de voorstelling al snel de lineaire structuur van nacht-moord-discussie los. De verschillende scènes zijn fragmentarisch en associatief gelinkt aan het thema van weerwolven: een groep (premie)jagers met een verborgen verrader, een match makende Cupido, een ingetogen en licht aangepaste cover van Childish Gambino’s Redbone (“Stay woke, wolves are creepin’…”). Er komt veel op je af als toeschouwer, mede doordat de spelers goed gebruik maken van de grote ruimte en cirkelvormige publieksopstelling. Wanneer je aandacht naar de ene kant van de ruimte wordt getrokken, vindt er aan de andere kant een kostuumwisseling plaats die pas wordt opgemerkt wanneer het tijd is voor een plotsklapse scènewisseling.

Door de fragmentarische structuur is er geen sprake van een langzame opbouw naar de onthulling van de wolf. Maar het draait ook niet echt om een dergelijke centrale antagonist in een speelse voorstelling waarbij de rollen continue wisselen en de spelregels lang niet altijd gevolgd worden. Wat van belang is, is niet het bestaan van de wolf, maar wat zijn aanwezigheid bij ons losmaakt.